Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wijzigingen door Akki

    smoren
    (ww. smoorde, gesmoord)

    roken

    vnw: een sigaret/sigaar/pijp smoren, roken

    in die betekenis op bepaalde plaatsen aan het verouderen, bij jongere generaties heet het vaak ‘smoren’ voor wietroken en ‘roken’ voor het roken van sigaretten.

    Zie ook smoor, opsmoren, smoorder, smoorkot

    > andere betekenissen van smoren

    Frank doet megawazig als hij smoort.

    “V. zat op een stoel aan den voorgevel zijn pijp te smoren,” – uit ‘Van twee Koningskinderen’, Omer Wattez, 1896

    Eddy Verbueren, die al op zijn twaalfde sigaretten smoorde (die hij pikte van zijn vader Dolf), voor geld met de kaarten speelde en wist hoe kinderen gemaakt werden. (Louis van Dievel – vrt.be – 2020)

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Akki op 28 Aug 2025 14:07
    4 reactie(s)

    kloten
    (ww. klootte, is / heeft gekloot)

    bedriegen, foppen, bedotten, kloot, iemand een ~ aftrekken
    zie sjarelen

    vnw: belazeren, bedriegen, foppen

    “Laat u maar niet kloten bij die marsjang!” waarschuwde petrik (zie reactie).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Akki op 28 Aug 2025 14:07
    3 reactie(s)

    kroket
    (de ~ (v.), ~ten)

    NL: aardappelkroket

    < Frans la croquette

    Dit is verschillend van het gebruik in Nederland, waar een “kroket” een vleeskroket is.

    Zie ook: krokettenmaker, kroketmachien, millecroquettes

    Kartoffelkroketten

    In plek van frieten kunnen we ook kroketjes of puree krijgen.
    (zie plek, in ~ van)

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Akki op 28 Aug 2025 14:06
    0 reactie(s)

    ambetant
    (bn.)

    1) vervelend, hinderend, irritant, naar
    2) geïrriteerd

    ook embetant

    Van Dale 2018: am­be­tant
    bij­voeg­lijk naam­woord • am­be­tan­ter, am­be­tantst
    na 1950 < Frans em­bê­tant
    BE; spreek­taal
    1. ver­ve­lend, naar
    2. wre­ve­lig, prik­kel­baar, boos

    vnw:
    -vervelend, naar, lastig, hinderlijk
    -ontstemd, verstoord, kregel

    vgl. ambetanterik, embetanterik

    1) Ons baby’tje doet helemaal niet ambetant, zo nen brave.

    1) ’t Is embêtant ’k en weet niet hoe (mechelenblogt.be)

    2) Ik word ambetant van die stoverij tussen mijn tanden.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Akki op 28 Aug 2025 14:05
    2 reactie(s)

    arbiter
    (de ~ (m.), ~s)

    scheidsrechter

    zie ook ref

    Wat? Strafschop? Dien arbiter is blind!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Akki op 28 Aug 2025 14:04
    0 reactie(s)

    Nieuwe versie!
    Er is een nieuwe versie van het Vlaams Woordenboek online. Mocht je problemen ondervinden, gelieve deze te melden op onze GitHub.

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.