Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.
verkoudheid
WNT: Snotvink: snottebel. Verouderd.
Het haghelde, sneeude, woey wten noordt-oosten Myn Ionghen weynschte om zyn habijtkens dan, Clippertant, en Snotvijnck, camen hem troosten, de dene, Fab. 83 (Brugge 1567).
Haer neusken is als ’t kack-huys dat over ’t water hanght Waer in sy met haer tonge snot-vincken vischt en vanght, Eerel. Pluckv. 211 (Antwerpen 1669)
Ik zit met een snotvink.
Snotvinken vangen: een druipneus halen.
uitkijken naar wat gaat komen
NL op het vinkentouw zitten
> vinkenslag = slagnet om vinken te vangen
VD: uitdrukking, BE
WNT: vinken: Loeren, op de loer staan om zijn kans waar te nemen; vigileeren. Gewest. nog bekend.
Vinken, … met geduld en gretigheid tevens afwachten, gelijk de vogelaars die op vinkenvangst zitten, schuerm. (1865-1870).
Ze zat op vinkenslag om te horen of de facteur geen brief van haar lief in de bus stopte.
blinde vink, vleesgerecht waarbij gekapt opgerold wordt in een vleeslapje
zie ook : vogelkes zonder kop
VD2013 online: Belgisch-Nederlands, niet algemeen
WNT: vink: blinde vinken: het is een verbastering van het oudere plokte vinken, pluk(ke)vinken. In Z.-Nederl noemt men ze looze vinken.
Ik eet graag loze vinken met bloemkool.
de longen van slachtdieren
We gaan kortelever koken voor de hond.
vloek, ook ter versterking van een vloek
Vlammenste seg! Wat is dat hier nu toch!
Auw, vlammenste miljaarde non de djuu!, hoor ik hem roepen.
Nieuwe versie!
Er is een nieuwe versie van het Vlaams Woordenboek online. Mocht je problemen ondervinden, gelieve deze te melden op onze
GitHub.