Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.
6 januari: feest van Driekoningen.
En dat is de DERTIENDE dag van de Kersttijd.
Het is morgen dertiendag en de sterrestoet zal weer uitgaan in het dorp.
vier= vuur
bv: 1. vierwerk = vuurwerk
2. steek het vier maar an dwz: steek de kachel/haard
maar aan.
3. met ’t vier in zijn gat is hij vertrokken dwz:
met veel enthousiasme, veel haast is hij weg.
4. het vier= kookfornuis.
vroeger ook in Antwerpen
1. Het vierwerk was adembenemend mooi op oudjaar.
2. Mijn echtgenoot stak gisteren het vier an, het was gezellig bij de houtstove.
3. Mijn zonen gingen oudjaar vieren in Gent, ze vertrokken met ’t vier in hun gat.
4. Mijn moeder liet het vier aanstaan, alles is aangebrand.
nietig, bijna waardeloos, minderwaardig ding
wordt gezegd van mens en dier.
Dat hondejong, dat fuk, het gaat nooit entwat worden, ’t en groeit niet en ’t wil niet mee.
koleirig, woest worden
Als die bonk in zijn futje schiet, dan moet je uit de weg gaan.
als ik zo’n zusje had, dan maakte ik m’n broertjes zelf.
Wordt dus gezegd (door mannnen) over een knappe vrouw of meisje.
Uitgesproken als: as ich zoeën zusterke had, dan miek ich m’n brurkes zelf.
Amaai, ziet daar, da’s è schoeën dink (knap ding), als ik zo’n zusje had, dan maakte ik m’n broertjes zelf.
Nieuwe versie!
Er is een nieuwe versie van het Vlaams Woordenboek online. Mocht je problemen ondervinden, gelieve deze te melden op onze
GitHub.